juf Ineke groep 1 en 2
 
(Advertentie voor leraar of ouder)
(Advertentie voor leraar of ouder)
(Advertentie voor leraar of ouder)
(Advertentie voor leraar of ouder)
(Advertentie voor leraar of ouder)

Als je op de afbeelding klikt kom je op een website. Op de website vind je een interactieve digibordles waarbij de kinderen oefenen met tellen tot en met 10. 

(Advertentie voor leraar of ouder)
(Advertentie voor leraar of ouder)

Hieronder staan allemaal oefeningen beschreven die je thuis kunt doen om het rekenen thuis te blijven stimuleren. 

 

  • Heen en terug tellen
  • Leg de cijfers in de juiste volgorde
  • Een getal weghalen. Welke mis je?
  • Wat zijn de buurgetallen? 14 heeft 13 en 15 als buurgetal
  • Wat zijn de even en oneven getallen?
  • Leg bij elk cijfer de juiste hoeveelheid
  • Als ik er daar één bij doe of één afhaal hoeveel heb ik er dan nog?
  • Waar ligt er meer of minder?
  • Spullen sorteren/ seriëren
  • Hoeveel voorwerpen liggen hier? Leg de voorwerpen bij elkaar met dezelfde eigenschappen. Of leg de voorwerpen in de juiste volgorde van groot naar klein, breed naar smal, lang naar kort, vol naar leeg of zwaar naar licht.

Rennend rekenen - Objecten tellen:

Tel hoeveel objecten er in de tuin staan: hoeveel bloempotten? Hoeveel bomen/struiken? Je kunt ook uit de tuin gaan en bijvoorbeeld tellen hoeveel huizen er in de straat staan. De kinderen mogen lekker heen en weer rennen en terug komen om te vertellen hoeveel het er zijn. 

 

Rennend rekenen - Cijferherkenning:

Met stoepkrijt schrijf je cijfers op de grond. Dit kan uw kind zelf, of misschien met wat hulp. Noem een cijfer en uw kind mag dan zo snel mogelijk naar het goede cijfer rennen. Herhaling helpt bij cijferherkenning. Herhaal de cijfers dus een aantal keer, maar dit spel kan ook gerust een aantal keer in de week aangeboden worden. * In plaats van cijfers kan dit spel ook worden gespeeld met de verschillende vormen of kleuren

 

Rennend rekenen - Begrippen:

Voor deze opdracht kun je materialen uit de tuin gebruiken. Start met een enkel voorwerp, bijvoorbeeld een schep, stuk stoepkrijt of een tak. Geef uw kind nu steeds opdrachten waarbij de verschillende begrippen (groter/kleiner/dikker/dunner/langer/korter) geoefend worden; ‘Zoek iets dat langer is dan deze schep’ of ‘Zoek iets dat dikker is dan deze tak’. Herhaal tijdens het zoeken de begrippen.